Paul Roda kwam op een toevallige manier in de muziek terecht. Zijn tweede vrouw Marian kwam uit Hilversum en met haar was hij in Loosdrecht waar De Ramblers optraden. Daar kwam hij in gesprek met Theo Uden Masman over het tanende succes van de Ramblers. Er was een concurrentiestrijd gaande met de Skymasters en hun liedjes verkochten beter op dat moment.
"Oh" blufte Roda, "als je wilt, kan ik zo een hit voor je schrijven, dat is geen enkel probleem."
"Ga vooral je gang" zei Masman sceptisch. Maar Roda hield woord en schreef "De Ramblers gaan naar Artis" en de Ramblers voerden het uit en namen het op. 

 

Wimpie, Wimpie Wimpie, wat is dat nu voor een beest,
Dat moet je ons vertellen, want je bent hier meer geweest.
Dat is een aardig diertje en zijn naam is olifant
Maar waarom heeft dat gekke dier een staart aan elke kant
Die voorste staart dat is zijn neus,
Waarempel Wimpie, is het heus?
Dan is het toch echt niet mis
Als dat dier een keer verkouden is!

 Speel de muziek af!

 

Het werd inderdaad een hit. Van Uden Masman kreeg Roda 25 gulden, waar hij heel blij mee was totdat hij hoorde dat hij zijn liedjes beter kon laten registreren bij de Buma/Stemra. Daarvoor moest hij een soort examen doen, waar hij gelukkig voor slaagde.
Het volgende lied dat hij schreef was 'Marian', waarbij hij de naam van zijn vriendin gebruikte. Het lied ging over een meisje dat niet wilde trouwen en er kwam nog een stukje Gronings in voor, waarbij Roda zijn afkomst niet verloochende.
Een derde hit was 'De Ramblers gaan uit vissen'.
Maar nu zijn naam gemaakt was, kwamen ook andere artiesten om liedjes vragen. Een greep uit de artiestennamen: Eddy Christiani, Max van Praag, de Skymasters en Annie de Reuver.

Hij schreef ook "Tulpen van jou" dat in 1951 een Europese prijs kreeg, waardoor het lied in diverse talen bekend werd.

Het was de tijd van de Bigbands die de liedjes vooral op de radio ten gehore brachten. Veel liedjes zijn daarom niet bewaard gebleven.  Tonia werd echter op de plaat gezet. Het werd een echte zomerhit, en vervolgens één van de tophits van 1952.

 

 

Het lied Kijk eens in de Poppetjes van mijn Ogen was een groot succes bij optredens en werd al snel op de plaat gezet. Annie de Reuver had er een grote hit mee.

Kijk eens in de poppetjes van mijn ogen
Kijk eens naar het kuiltje in mijn kin
Zeg doe nou niet zo flauw
En lach nu maar eens gauw
Heus, je kijkt zo nijdig als een spin!

 

Het lied werd een evergreen en is inmiddels door veel artiesten gezongen, waaronder André van Duin, Paul de Leeuw, de Skymasters en Bob Scholte. Het lied zorgde er zelfs voor dat de uitdrukking 'poppetjes in mijn ogen' uiteindelijk in de Van Dale werd opgenomen.

Ook 'Onze Taal' wijdde een stukje aan deze uitdrukking:

" Pop in de betekenis `pupil' komen we tegen in het Woordenboek der Nederlandsche taal: 'spiegelbeeld in de pupil van het menschelijk oog.' Het Bargoens Woordenboek vermeldt poppetjes in dezelfde betekenis: 'oogpupillen, AB-slang. Wegens het eigen spiegelbeeld aldaar te zien, zoals ook het Latijn al wist: pupilla=poppetje.' De verbinding tussen poppetje en pupil bestaat dus al zeer lang."

"Kijk eens in de poppetjes van mijn ogen vinden we in zijn geheel terug in de laatste (twaalfde) druk van Van Dale: `gezegd als men wil dat iem. hem in de ogen kijkt', maar de herkomst wordt niet verklaard. Als we in eerdere drukken van Van Dale kijken, worden we ook niets wijzer: in de elfde druk (1984) staat alleen 'de poppetjes van de ogen' en in de achtste druk (1961) helemaal niets. Het is goed mogelijk dat de uitdrukking door de schrijver van het liedje is bedacht; wij kunnen u er helaas geen zekerheid over geven."

In 1959 werd er bij de Flora een gratis plaatje uitgedeeld aan buitenlandse bezoekers, het nummer heette "Twee paar klompen" en was door Roda geschreven. (Dit plaatje is helaas nog niet teruggevonden)

 

Roda schreef overigens van de meeste van zijn liedjes de tekst en de muziek zelf (op een paar vertalingen na.) Helaas voor hem kon hij geen noot muziek op papier krijgen en via de Buma/Stemra was hij in contact gekomen met Tom Erich (1911-1978). Erich had in die dagen een vast programma op de radio, waarin zijn Avro-leans optraden. De omroep laat zich wel raden. Deze Erich schreef de melodie van Roda’s liedjes op en verdiende er zo een aardig centje bij, want nu was hij ineens de officiële componist. Het was misschien, zeker achteraf bezien, een wat onrechtvaardige regeling, maar een alternatief was toen niet voorhanden. Wel nam Erich Nicolaas en zijn vrouw geregeld mee uit eten in een heel duur restaurant om zo de boel enigszins recht te trekken. Dan plaagde hij dat hij eigenlijk door hén getrakteerd werd.

 

In de tuin bij Tom Erich in Blaricum

 

In 1960 deed Roda mee met een liedje voor het songfestival.

 

Louis Noiret (1896-1968) was inmiddels een goede vriend van Roda geworden, omdat ze samen veel liedjes hadden geschreven. Op een gegeven moment zat de man financieel aan de grond, hetgeen met een stel kinderen niet bepaald een florissante situatie was. Nu had Noiret een heleboel bekende Jordaan-liedjes geschreven. Roda opperde de mogelijkheid om die liedjes weer in de picture te brengen. Zou een Jordaan-festival niets zijn?
Het idee sloeg aan. Het bleek achteraf de aanzet geweest te zijn tot het eerste Jordaan-festival. Johnny Jordaan kreeg weer succes en ook Louis Noiret kon tevreden zijn. Roda zelf schreef vervolgens ook wat Jordaan-liedjes, maar grote successen zaten daar niet bij.

 

Roda was inmiddels een bekend man in Amsterdam. Als hij met zijn vrouw naar een cowboyfilm ging, werd hij herkend. In de bioscoop werd er vroeger in de pauze piano gespeeld en Bernard Drukker deed dit ook, naast zijn werk als vaste organist voor de AVRO. Als hij Roda zag, greep hij snel andere bladmuziek en klonk er Poppetjes of Tonia door de bioscoop, waarbij het publiek spontaan mee ging zingen. Uiteraard genoot Roda hiervan!

Soms ging Roda en zijn inmiddels derde vrouw ook mee op de schnabbeltoer van de artiesten die zijn liedjes zongen. Roda had zelf nog geen auto en reed dan bijvoorbeeld mee met Tom Erich, want Max van Praag had zijn auto al vol, met vrouw Sarie en de kinderen Marga en Chiel achterin. Na afloop werd er vaak in de kroeg afgesproken.

 

Behalve liedjes schrijven verdiende Roda ook geld met het vertalen van buitenlandse teksten. Het was de tijd van de bladmuziek, die goed verkocht werden aan de fans. Hierop stond de muziek, de oorspronkelijke tekst en de Nederlandse vertaling. Vreemd genoeg was het zo geregeld dat als de plaat goed verkocht, de schrijver van de Nederlandse tekst hiervan ook betaald werd, allemaal dankzij de bladmuziek.
Nick schreef vertalingen voor chansons van Charles Trenet maar ook voor het bekende 'Crying in the chapel' dat een hit was van
Elvis Presley (en veel later nog van Don McLean). Jaren later, bij de dood van Presley, kwamen er nog aardige bedragen binnen dankzij die vertaling. Een vreemd systeem, want bladmuziek werd inmiddels nauwelijks meer verkocht.

 

Via zijn vrouw had Roda inmiddels Gerrit Den Braber leren kennen, die toen nog op kantoor zat en daarnaast bij de Rotterdamse Radiovereniging werkte. Hem leek het wel leuk om ook liedjes te gaan schrijven en nu hoorde hij dat hij eerst examen moest doen bij de BUMA, voordat hij werk zou kunnen doen als vertaler. Gerrit deed een poging, slaagde en schreef eerst liedjes voor een kinderkoor en later meer volwassen repertoire, waarbij zijn vertaling 'Roosje, mijn roosje' een grote hit werd.

Volgens een artikel in het Vrije Volk over Nick Holwerda/Paul Roda hebben ook Wim Sonneveld en de destijds zeer bekende Peter Pech een liedje van hem M'n ouwe trouwe makkers gezongen, een lied dat over een paar oude schoenen ging. In het theaterinstituut is daar geen bewijs van teruggevonden, maar zij kunnen het uiteraard ooit op de radio gezongen hebben.

 Annie de Reuver in duet met Herman Brood

Naar Paul Roda